100 Colls Catalonië – 2026

Drie mannen, drie motoren en één krankzinnig idee: in 28 uur zoveel mogelijk bergpassen rijden in Catalonië. Wat volgt is een verhaal vol bloedserieuze voorbereiding en volstrekt oncontroleerbare werkelijkheid, over kaarten die kloppen tot ze dat niet meer doen, plannen die werken tot de mist valt, motoren die wonderwel blijven rijden op diesel en waarom greppels altijd winnen. Dit is het verslag van een avontuur waarin alles tegenzat, bijna alles lukte, en niemand precies kreeg wat hij verdiende, behalve een verhaal dat nog lang meegaat!

De illusie van controle
Elke editie van de 100 Colls begint hetzelfde: met de stellige overtuiging dat we het dit jaar écht beter hebben aangepakt. Dat de fouten van vorig jaar zijn geanalyseerd, gewogen en netjes verwerkt in een episch verbeterde routeplanning waarin geen enkele eventualiteit meer onbeantwoord is gebleven. Dit jaar geen gaten. Geen twijfel. Geen improvisatie. Dit jaar hadden we opties. Veel opties. Meer opties dan cols, eigenlijk.

De voorbereiding kende alles wat daarbij hoort: avondenlang staren naar kaarten, hoogteprofielen vergelijken alsof we geologen waren geworden, overleggen, bijstellen, schrappen en daarna toch weer toevoegen. Routes kregen extra uitgangen, extra bypassen en zelfs bypassen van de bypassen. Nog nooit hadden we zoveel alternatieven in één routebestand weten te persen. Als een coll zou sneuvelen, het weer zou omslaan of iemand plotseling moreel zou instorten, dan was daar altijd plan B… of C … of D. Dat gaf rust. En zoals altijd bleek later dat rust vooral gevaarlijk is.

Van Hoogvliet naar hoopvolle illusies
De aftrap zou plaatsvinden bij McDonald’s Hoogvliet, een plek die normaliter vooral bekendstaat om slappe friet en dito koffie, maar dit keer dienst moest doen als symbolisch startpunt. Alleen had de eigenaar bedacht dat precies die week een verbouwing plaats moest vinden. Een detail, zou je denken, maar wel precies het soort detail dat typerend is voor hoe dit weekend verder zou verlopen.

Joost en Onno wachten dan maar zonder koffie op de komst van Marcel, die vanuit het Verenigd Koninkrijk over was gestoken met de ferry. Met de groep compleet was het nog even “brommers kieken”: de nieuwe BMW R1300 GS Adventure van Onno. Groter, mooier en indrukwekkender dan op de foto’s, en met een uitstraling die suggereerde dat geen enkel obstakel te groot zou zijn. Wat niemand hardop zei, maar iedereen dacht, was dat zwaartekracht zich weinig aantrekt van marketingmateriaal.

De rit naar Souillac in Frankrijk 956 km verderop verliep voorbeeldig. Om exact acht uur ’s avonds arriveerden we bij het hotel, het weer was vriendelijk, het bier koud en het eten verrassend goed. We zaten buiten, nipten tevreden van ons glas en waren het er roerend over eens dat dit verdacht soepel begon. Iemand had hier echt iets over moeten zeggen, maar niemand deed het.

Spanje, gravel en de eerste haarscheurtjes
Dag twee bracht ons via de snelweg richting de Frans-Spaanse grens, waar we de eerste onverharde routes gingen verkennen, puur ter voorbereiding natuurlijk. Joost en Marcel denderden over het grind alsof angst enkel een theoretisch concept was dat in studieboeken thuishoorde, terwijl Onno met zijn imposante machine iets zorgvuldiger moest onderhandelen met de ondergrond.

De eerste onverharde sectie ging prima, maar bij de tweede was het gesprek snel afgelopen: te zwaar, te technisch en vooral te tijdrovend. Routeplanning bewees hiermee zijn nut door direct een optie definitief uit te sluiten, iets wat nog vaker zou gebeuren, zij het dan meestal achteraf.
In Tortosa, en na een rit van 681 km, vonden we opnieuw onderdak, bier en eten en begonnen langzaam te geloven dat het universum vandaag misschien wel aan onze kant stond.

Diesel, paniek en Mont Caro
De dag waarop de 100 Colls officieel begint, start pas om 13:00 uur, wat ons de luxe gaf om uit te slapen, rustig te lunchen en nog wat laatste inkopen te doen. Daarna tanken. Dat leek een formaliteit. Tot het dat niet meer was. Joost tankte diesel. In een benzinemotor. Hoe dan?
Wat volgde was een blinde paniek, dit is het einde van de 100 Colls voordat ze nog maar begonnen was. De start dreigde letterlijk in rook op te gaan totdat we, als door een wonder geleid, een garage aan de overkant van de rotonde zagen. Met een pompje werd de tank leeggehaald, waarna verse benzine werd toegevoegd. De BMW R1250 GS liep wonderwel door, blijkbaar tolerant voor foute levenskeuzes, en we konden opgelucht vertrekken.

Op de startlocatie op Mont Caro bleek bleken meer 100 Colls deelnemers hetzelfde idee te hebben gehad. Het was druk, chaotisch en licht nerveus. Stipt om 13:00 uur zette iedereen zich in beweging en wij besloten snel vooruit te rijden, langs anderen, het tempo hoog te houden en te laten zien dat voorbereiding loont. Dat bleek te kloppen. Het schema hield stand, slechts één coll werd opgeofferd en om exact 21:00 uur, op de seconde nauwkeurig, bereikten we ons eindpunt na acht intensieve uren rijden.

Het Montcel Casa Rural waar we verbleven was een openbaring. Alles was mogelijk, niets te veel, en we werden behandeld alsof we langverwachte familie waren. Koud bier, fantastisch eten en zelfs het voorstel om de volgende ochtend om 6:15 uur al ontbijt te verzorgen. Dat was ons werkelijk nog nooit overkomen en ergens voelden we al dat het universum hiermee alvast iets probeerde goed te maken.

Mist, modder en de wetten van Murphy
De volgende ochtend begon met een ontbijt dat elke overnachting eer aan zou doen: omelet, croissant, yoghurt, espresso en cappuccino, alles perfect. Vol goede moed vertrokken we, eerst nog over een leuk modderpad dat bij Joost en Marcel in goede aarde viel, maar door Onno vooral werd gezien als een persoonlijke struggel.

Tot aan de lunch bleven we aardig op schema, maar daarna begon het klassieke verval. “Dat halen we later wel in,” werd er gezegd, en met die ene zin verhuisden we definitief van planning naar improvisatie.

Mist trok op en neer over de bergen, onverharde collen veranderden in langzame worstelingen en ergens halverwege een onverharde klim werden we aangesproken door een politieauto die wilde weten of we wisten waar ergens een motor in de mist een ravijn was ingestort. We wisten het niet, maar het verhaal gaf wel een bijzonder scherp kader aan de situatie.
Het rijden werd trager, het zicht slechter en Onno’s vizier en bril besloten samen een mistconferentie te houden. Een korte stop met een reepje en wat drinken hielp enigszins, maar later op de dag kwam het volgende drama: Marcel had zijn koffertje niet goed gesloten en de volledige inhoud was onderweg verdwenen. Zo loste de Pyreneeën dit probleem definitief op.

In Prades bleek dat we drie collen niet meer konden rijden. Het hotel halen voor negen uur lukte ook niet. Dus reden we door in het pikkedonker over bochtige wegen waar zelfs het asfalt twijfelde of het nog wel wilde meedoen. Het hotel in Amélie was precies zo slecht als je na zo’n dag verwacht: luidruchtige uitbaatster, vette hamburger, ranzige kamer en een corpulent kind dat zich ongegeneerd een weg door de menukaart at. De vraag waarom je geen bikerhotel moest nemen, beantwoordde zichzelf volledig.

De greppel der waarheid
De laatste wedstrijddag begon vroeg. Om 6:30 uur reden we opnieuw over exact dezelfde weg waar we de avond ervoor in het donker overheen waren gestruikeld. Om exact 7:00 uur ging het gas er weer op en het tempo zat er goed in, de Garmin voorspelde een aankomst rond 13:00 uur en de stemming verbeterde zichtbaar.

Op drie collen van het einde besloten we er toch één over te slaan om zeker niet te laat te komen. Op dat moment zei Onno via de intercom, bijna bezwerend: “Nu moeten er geen ongelukken gebeuren.” En daarmee riep hij het onvermijdelijke op. Slechts seconden later reed hij in een greppeltje. Het gegil van de schrik door de intercom is iets waar Joost nog dagen last van zou hebben. Zowel de motor als Onno hebben geen schade van dit uitstapje ondervonden, hooguit een kras op z’n ego. Nu was er nog slechts een doel: die motor terug op het asfalt krijgen. Duwen bleek zinloos, maar een schuine aanpak werkte. Na enkele steken en een ferme dosis gas stond de BMW weer recht, al bleef het SOS-systeem hardnekkig hulpdiensten oproepen. Hoe je dat uitzet, bleef een raadsel.

We reden door, zagen een ambulance en politieauto’s voorbij scheuren — vermoedelijk op weg naar een ongeval dat al opgelost was — en bereikten de finish om precies 12:45 uur. Foto’s, een biertje, chips… en toen het verdict: twaalfde plek. Een kleine domper, zeker na de tiende plaats van vorig jaar. Hierna volgde de meer dan goede lunch en prijsuitreiking. De blonde dame die alles onverstaanbaar aan elkaar praat was er dit jaar ook weer. Iedereen op de foto en zijn “minute of fame”. De organisator van de 100 Colls kwam ook nog even met ons praten en feliciteerde ons met het mooie resultaat. Wij waren wat minder blij, want lager geëindigd dan in 2025. Vaderlijk werd aangegeven dat we een hele prestatie hadden geleverd, dat de concurrentie was toegenomen en dat we maar mooi drie keer een gouden speldje hadden gehaald. Soms duurt het een tijdje voordat een analyse tot je doordringt, waarover later meer.

Tussen de finish, de prijsuitreiking en het langzaam landen in de realiteit van wat we net hadden gedaan, was er nog ruimte voor een onverwacht hoogtepunt: het gesprek met de dames van het Kawasaki WRX team. Een team dat we inmiddels herkenden, omdat je ze nu eenmaal onthoudt wanneer je samen met iemand een coll beklimt alsof het startschot zojuist heeft geklonken en iemand vergeten is te melden dat dit géén race is.

De Coll de Lila was zo’n moment geweest waarop alles samenkwam: breed asfalt, overzicht, goed zicht en twee teams die elkaar precies even slecht konden negeren. We reden daar zij aan zij omhoog, motoren strak in toeren, niemand die ook maar een centimeter cadeau deed, niet uit agressie, maar simpelweg omdat het niet anders kon. Het was een van die beklimmingen waarin je niet denkt, maar handelt, waarin de bochten vanzelf komen en de omgeving even ophoudt te bestaan. Het was een mooi, licht ontregelend moment van herkenning. Even geen cijfers, geen positie, geen speldjes, maar gedeeld plezier op een berg die zich van geen van ons iets aantrok. Precies zoals de 100 Colls bedoeld is, al vergeten we dat soms collectief.

Marcel moet ons bij de prijsuitreiking verlaten. De werkelijkheid roept; er wacht een cursus over twee dagen en iemand moet de kosten van dit weekend straks toch ergens goedpraten. We nemen afscheid alsof hij niet gewoon naar huis reist, maar naar een totaal ander leven vertrekt. Daarna blijven Joost en Onno achter, licht verweesd.

Naar zee – uitblazen na de strijd
In plaats van noordwaarts te gaan, besluiten Joost en Onno de logische richting van elke uitgeputte motorrijder te kiezen: naar zee. Naar Tortossa de Mar, waar zout water alles oplost, inclusief frustratie, teleurstelling en de laatste restjes competitiedrang.

De weg ernaartoe voelt als een overgangsrit. Geen gejaag meer. Geen schema’s. Geen Garmin-stress. De landschappen openen zich, het licht verandert en wordt donker en we worden getrakteerd op een monsterlijke onweersbui, compleet met bliksemflitsen die suggereren dat zelfs Zeus vindt dat we nog niet genoeg hebben gehad. Doorweekt, maar lachend, bereiken we het hotel. En dat hotel… dat snapt het. Mooie kamers, een bar die precies weet wat bier hoort te zijn en een uitzicht dat zegt: je hebt genoeg geleden, nu mag je zitten.

Het eerste biertje smaakt alsof het speciaal voor dit moment is gebrouwen. Daarna volgt een wandeling langs het strand, voeten in het zand, lucht vol zout, het hoofd eindelijk leeg. ’s Avonds eten we tapas, échte tapas, met een goede fles wijn en het soort gesprekken dat alleen ontstaat als niemand meer hoeft te bewijzen dat hij sterk is. Dit voelt als het ware einde van de 100 Colls. Of in elk geval: het einde waarop we hadden gehoopt.

Carcassonne – bochtenmoe en cultuur
Dag vijf begint met een ontbijt dat opnieuw benadrukt dat Spanje dit soort dingen serieus neemt. We rijden eerst langs de kust, over wegen die uitgehouwen lijken voor motoren en waar elke baai roept dat je hier best een huis zou kunnen kopen, als je leven net iets andere keuzes had gemaakt.

Dit gelukzalige moment wordt nog even onderbroken door Marcel die via WhatsApp meldt dat zijn achterband langzaam maar gestaag leegliep. Bij inspectie bleek er, hoe dan ook, niemand weet het en niemand wil het weten, een boor achteloos rechtstandig in zijn band te zitten, alsof iemand onderweg had gedacht: laten we deze man zijn geloof in de wereld eens testen. Repareren leek aanvankelijk een formaliteit, totdat Marcel zich realiseerde dat zijn reparatiesetje nog ergens op een Pyreneeëncol lag, bewonderd door marmotten, achtergelaten na het inmiddels beruchte open‑koffertje‑incident. Bij de motordealer was de garage helaas gesloten, het was maandag, de universele dag van “jammer, vandaag niet”, maar de man was bereid een reparatiesetje te verkopen en wat lucht te geven. En zie daar: na aanvankelijk nog wat hoopvol luchtverlies besloot het plugje ineens heldhaftig stand te houden, voldoende om Marcel probleemloos Schotland weer te laten bereiken. Inmiddels is Marcel zó overtuigd van de morele en mechanische kracht van dit ene stukje rubber dat hij serieus overweegt de band nog “wel een tijdje” door te rijden. De vraag is niet óf hij zijn geluk tart, maar vooral hoe lang het universum dit nog amusant vindt.

Ondertussen buigt de route van Joost en Onno langzaam het binnenland in. De wegen blijven mooi, de vergezichten indrukwekkend, maar ergens halverwege de middag gebeurt iets onvermijdelijks: we zijn klaar met bochten. Niet boos, niet gefrustreerd, maar gewoon… verzadigd. Alsof je na een perfecte maaltijd ineens beseft dat nog een gang simpelweg niet meer hoeft. Dus kiezen we voor de snelweg richting Carcassonne, een beslissing die niemand betreurt. Het terras bij het hotel lonkt en het bier wacht geduldig. De zon staat laag, de sfeer ontspannen, en het lichaam zakt langzaam terug in zijn normale vorm.

’s Avonds lopen we de historische stad in, waar Carcassonne precies doet wat je ervan verwacht: imponerend zijn, toeristisch zijn, en toch onweerstaanbaar. We eten in een goed restaurant, praten na over wat was en verdwalen daarna vanzelf in de wirwar van straatjes. Dat hoort zo.
Op een moment dat niemand het officieel wil maken, speelt de blaas van Onno op. Hij besluit het probleem discreet op te lossen tegen een van de stadsmuren, waarmee hij zich definitief inschrijft in de lange traditie van mannen die denken dat historische monumenten hier niet voor bedoeld waren, maar het wel begrijpen. Stout, maar noodzakelijk. We vinden de weg terug, eindigen op een terras en sluiten af met een whisky, die precies de juiste toon raakt om dit hoofdstuk netjes af te ronden.

De weg naar huis – kilometers en berusting
Dag zes staat volledig in het teken van afscheid nemen. Geen mooie routes meer, geen collen, geen keuzes. Alleen afstand. Veel afstand. Tussen de 1250 en 1330 kilometer, afhankelijk van de eindbestemming.

Het is blik op oneindig, kop omlaag en rijden maar. Frankrijk glijdt voorbij. België levert nog één laatste vette hap, omdat rituelen ook ergens moeten stoppen, en daarna trekt Nederland ons langzaam weer terug in de dagelijkse realiteit.

Onno rijdt om 22:15 uur zijn oprit op.
Joost volgt tegen 23:00 uur.
Marcel is al de dag ervoor thuis gearriveerd.

Iedereen fysiek moe, mentaal leeg en diep tevreden. Wat een avontuur.

Nawoord – cijfers, context en afscheid
De volgende ochtend deden we wat rationele mensen doen: alles door de data halen. AI kreeg de route en de resultaten van de top 20 voorgeschoteld en kwam met een helder oordeel. We hebben ons eigen record verbeterd: Meer Colls dan vorig jaar, aanzienlijk meer punten, meer kilometers gereden en procentueel dichter bij de winnaar, die zelf ook beter had gereden. Het veld was simpelweg sterker geworden en de twaalfde plek bleek ineens een bevestiging van progressie in plaats van falen. En zo kwam de rust.

Na drie Penguin MC deelnames, drie gouden speldjes en genoeg verhalen om een halve roman te vullen, besloten we dat het mooi was geweest. De 100 Colls of Catalunya krijgt een waardig afscheid. We zwaaien. Met lichte weemoed. En een gevoel dat we dit avontuur op precies het juiste moment loslaten. 100 Colls van Catalunya, het ga je goed.

Wil jij in 2027 ook succesvol deelnemen aan de 100 Colls?
Neem dan contact met ons op! Samen bekijken we hoe we jou en je club het beste kunnen ondersteunen. Dat kan met:
• Een op-maat-gemaakte route
• Een geheel verzorgde reis, inclusief hotels, tussenstops, voorrijder en meer

Eén kanttekening: een top-10 klassering kunnen we niet beloven – dat hangt toch écht af van jullie rijderskills. Maar misschien gaat het jou niet om de klassering, en zoek je juist de unieke sfeer en het avontuur van de challenge. Het afronden van de 100 Colls is hoe dan ook een onvergetelijke belevenis – en ook daar ondersteunen wij je graag bij.

Expedition Unlimited – Jouw partner voor de 100 Colls 2027!

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *