HAT Mauretanië 2018 / 2019
De tweelingbroeders Loek en Jim Vermeulen van de Holland Afrika Tour (HAT) nemen contact met ons op of we zin hebben om met hun vrachtwagens meet te rijden in Mauritanië. Dat laten we ons geen twee keer zeggen, hoe mooi is dat om met die machtige MAN KAT’s door de woestijn te trekken. Ze hebben een 4×4, 6×6 en zelfs een 8×8. Die laatste is echt een beest en kan elke woestijn met gemak aan. Er zit echter wel een taak aan vast, ze hebben vernomen dat Onno goed is in het maken van routes, en of hij de functie van navigator voor de hele groep wil zijn. Dat maakt het geheel nog mooier voor Onno, we gaan mee!.
In de weken die volgen wordt een route samengesteld die zoveel mogelijk door de woestijn gaat en een paar plekken aandoet die de Vermeulens graag willen bezoeken voor hun HAT liefdadigheidswerk. De uiteindelijke route wordt opgestuurd naar de HAT en er volgt witte rook. Best uitdagend om als navigator in de woestijn te fungeren. Nog nooit gedaan, dus wel spannend. Gelukkig hebben de Vermeulens genoeg ervaring in de woestijn, dus het zal wel goed komen.
We krijgen ook nog een lijst van goederen mee die we voor de HAT mee moeten nemen als bagage. Wij krijgen een trampoline toebedeeld, wat moet je daar nu mee in de woestijn? Veel lol voor kleine kinderen, zal later blijken. Op Schiphol ontmoeten we de rest van de leden die meegaan. Naast Jim en Eri Vermeulen zijn dat mecanicien Michiel (een nuchtere Groninger) en andere deelnemers. In totaal zijn we met twaalf man. De reis verloopt voorspoedig en in de avond stappen we het vliegtuig uit in de warme lucht van Mauritanië. Het avontuur gaat beginnen. We overnachten in Auberge Samiraa. De trucks staan reeds op het zand voor de herberg, drie gele monsters en een oranje-witte. Deze laatste is van Roy die met ’n vriendin ook met ons meereist.
Nouakchott voelt de volgende ochtend als een stad waar vooral dingen geregeld moeten worden, en dat is ook zo. Na het ontbijt worden de persoonlijke bagage opgeslagen in grote Zarges kisten, en krijgen een plekje in de trucks. Diesel tanken, water bijvullen, nog even iets kopen waarvan je van tevoren niet wist dat je het nodig zou hebben. Iedereen is daar nog een beetje bezig, checkt spullen, rekent dingen na. Een ding is zeker; dat wat je vergeet, ga je de komende week niet krijgen.
De eerste kilometers buiten de stad zijn nog asfalt. Dat rijdt vreemd comfortabel gezien alle outback voorbereidingen. Maar het duurt niet lang. Iets voorbij Ouad Naga rechtsaf en vanaf daar verandert de wereld langzaam. Eerst nog wat nederzettingen, enkele mensen en een paar geiten langs de kant van het pad. Maar hoe verder je rijdt, hoe verlaten het landschap wordt. Uiteindelijk blijft er niet veel meer over behalve zand, lucht en dat gevoel dat je ergens bent waar weinig mensen komen.
De eerste dagen lijken nog overzichtelijk. De tracks zijn goed te rijden, het tempo zit erin en de kilometers gaan vanzelf. Onno mag voor het eerst rijden op de 8×8. Nog nooit op een vrachtwagen gereden, maar met hulp van Jim gaat het al best aardig. Ook het feit dat we veel met onze Mercedes G door het terrein hebben gereden werpt z’n vrachten af. Op de juiste momenten gas terugnemen, niet te scherp sturen en met gevoel rijden. Na 2 uur rijden krijgt Onno een duimpje; goed gedaan. Het vertrouwen groeit. Het landschap daarentegen verandert nauwelijks, maar toch blijft het boeien. Het zit ’m in kleine dingen. Lichtval, een duinenrij die net anders ligt, of een kamp van nomaden dat opduikt uit het niets. Soms wordt er even gestopt, gewoon om te vragen of alles goed is, of iemand iets nodig heeft. Dat soort momenten passen hier net zo goed in als het rijden zelf.
Bij Bou Naga verandert het landschap subtiel. De zoutvlakte ligt er verlaten bij, een plek waar nauwelijks water komt maar waar het wel zichtbaar is geweest. Alles voelt droog, stil en oud. Het bivak is daar niet meer dan een plek waar je stilvalt. Geen voorzieningen, geen structuur. Gewoon stoppen, de chaotische instructies van onze kwartiermaker opvolgen, en na wat gemanoeuvreer staan de vrachtwagens in een mooie carré vorm zodat we beschut zijn tegen de wind. De tafels en stoelen komen uit de MAN 6×6 en iedereen krijgt taken opgedragen, van het opzetten van de daktenten tot het repareren van banden. Maar niet voordat iedereen eerst met een biertje gaat uitblazen van de mooie dag. In de avond wordt er door Eri een mooie maaltijd bereidt die iedereen goed smaakt. Bij het kampvuur wordt nog een drankje ingeschonken en ontstaan mooie verhalen. Dit ritueel herhaalt zich elke dag en verveelt nooit.
Na een frisse nacht volgt het omgekeerde ritueel, ontbijten en alles weer opruimen in de vrachtwagen. Jim maakt elke dag een schema waarin staat wie op welke vrachtwagen rijdt. Iedereen komt zo elke dag in de gelegenheid om op de vrachtwagens te rijden, en ook de roulatie tussen de 4×4, 6×6 en 8×8 is zo prima geregeld. Vanaf daar wordt het minder vanzelfsprekend. De ondergrond verandert constant. Zacht zand, harde stukken, rotsen, en stukken waar je eigenlijk niet goed weet wat er onder je wielen gebeurt. Het is zoeken naar bandenspanning, naar ritme, en soms ook gewoon naar een manier om niet vast te staan. Je merkt dat iedereen scherper wordt, minder praat en meer bezig is met rijden.
Het bivak daarna ligt letterlijk nergens. Dat klinkt cliché, maar hier klopt het. Geen licht, geen geluid, alleen een hemel die zo vol staat dat je bijna vergeet waar je bent. De dag verdwijnt zonder dat iemand daar iets voor doet.
De volgende dag ligt Ksar el Barka op de route. Van afstand zie je het al liggen, massa steenresten in het zand. Dichterbij krijgt het vorm. Muren, ruimtes, iets dat ooit een stad was. De plek heeft iets wat moeilijk uit te leggen is. Niet alleen oud, maar ook verlaten op een manier die niet triest voelt. Eerder alsof het gewoon klaar was en daarna is achtergelaten. In het ochtendlicht rondlopen door die ruïnes is een van die momenten die blijven hangen. Niemand zegt veel, iedereen loopt z’n eigen stuk, kijkt rond, probeert zich voor te stellen hoe het geweest moet zijn. Daarna starten de motoren weer en is het weer gewoon rijden. Nou ja, we hebben toch wat moeite met de juiste route vinden, maar een vriendelijke man rijdt een stukje mee om ons uit dit doolhof te leiden.
Vanaf daar wordt het ruiger. Oude routes bestaan soms nog, maar zijn niet altijd meer te volgen. Dan moet je uitwijken, zoeken, beslissen. Soms zit je goed, soms niet. Het hoort erbij. Je rijdt vaker zonder track dan met, en op een gegeven moment accepteer je dat gewoon. Op een stuk van de route is een kloof ingestort, en dan mag Onno een andere route zoeken. Best wel een verantwoordelijkheid als 12 mensen vol hoop toekijken hoe je een alternatieve route zoekt. Maar ook dat lukt, en de groep gaat weer op pad. Dit heeft er echter wel toe geleid dat de oorspronkelijke route niet meer gevolgd kan worden. We moeten dwars door de woestijn een nieuwe route vinden. We komen een blinde nomade tegen en die gaat ons de weg wijzen; blind, hoe dan? Helemaal als je zijn instructies hoort: in een rechte lijn blijven rijden en de zon aan je linkerschouder houden. Nou ja, bij gebrek aan beter volgt de lamme maar de blinde. Na een hele middag rijden zien we nog steeds geen tracks? Zijn we verdwaald? Iedereen is moe. De beste remedie hiertegen is rust. Dus in “the middle of nowhere” wordt het bivak opgezet. De hoop is op morgen, de tracks zijn vast niet ver weg, als de zon weer schijnt.
De volgende ochtend is het moraal hoog. Na het ontbijt blijkt dat de tracks maar een paar kilometer verder liggen. Had de blinde nomade toch gelijk. Never judge a book by its cover. Onno krijgt een compliment van Jim, het is lang geleden dat de HAT zolang achter elkaar door een woestijn is gereden sinds hun reizen in Libië. Na dagen door de woestijn voelt asfalt vreemd. Bij Ain Safra komt het weer onder de wielen en dat geeft een soort opluchting die je niet verwacht. Niet omdat het mooier is, maar omdat het even makkelijk is. In het dorp zelf wordt gestopt, voorraden aanvullen, water, brandstof. Mensen lopen rond, kinderen kijken, en jij staat daar even tussen alsof het allemaal normaal is.
Daarna weer noordwaarts, en het landschap verandert opnieuw. Duinen op harde ondergrond, stukken waar je omheen kunt rijden of eroverheen, net waar je zin in hebt. En dat doet Ingrid dan ook. Omdat we op verharde ondergrond rijden zitten alleen de leden met een echt rijbewijs weer achter het stuur. Stoere vrouw die Ingrid achter het stuur van de machtige MAN KAT1 6×6. Aan het eind van de dag komen we aan bij een nederzetting die de HAT ondersteunt. Dit keer met schoolspullen, kleding en andere goederen waar een grote behoefte aan is. En natuurlijk dé trampoline. Dat blijkt een schot in de roos, de kinderen kraaien van plezier. Waar we alleen een beetje aan moeten wennen is dat alleen jongens op de trampoline gaan. We sporen de meisjes ook aan maar die blijven aan de kant staan. Niet omdat ze niet willen, maar omdat er een verschil is tussen jongens en meisjes in dit soort landen. Blijft moeilijk voor ons om dit te accepteren met een andere achtergrond. Jammer. We gaan ook nog even kijken bij de voortgang van de het waterproject dat de HAT sponsort en de aanbouw van WCs. We nemen afscheid met een sliert kinderen rennend achter de vrachtwagen en slaan ons bivak op achter een duin op ca. 10 km van het gehucht. Een gelukzalig gevoel valt over ons heen.
De volgende dag rijden we door een gebied met scherpe stenen waar je constant moet opletten. Je merkt dat het materiaal het zwaarder krijgt, maar ook de bestuurders. Dit soort gebieden vraagt de opperste concentratie. Een lekke band is zo gereden en het is geen lolletje om dit soort zware banden te wisselen. Aan het eind van die dag komen we aan boven op een hoogvlakte en kijk je ineens uit over een groene oase. Dat contrast blijft vreemd. Dagenlang alleen zand en dan ineens groen. De afdaling daarheen voelt bijna alsof je ergens anders terechtkomt.
Chinguetti is het eerste moment waarop we echt weer in een dorp staat. Smalle straatjes, gebouwen die er al eeuwen staan, en een sfeer die totaal anders is dan alles wat je daarvoor hebt gezien. Er is brandstof, een winkel, een plek om even stil te staan. Maar het blijft een doorgang, geen bestemming.
De route naar Ouadane is een van die dagen die gewoon lekker loopt. Golvende duinen, harde ondergrond, een tempo dat vanzelf ontstaat. Het soort rijden waar je niets hoeft te forceren. Aan het eind van de dag sta je ergens bij wat bomen, in een rivierbedding die al lang geen water meer gezien heeft. Twee dames, waaronder Ingrid, vinden het leuker om iets verder in de rivierbedding te staan. Het advies van de heren wordt in de wind geslagen en de motor wordt gestart. Tien meter verder strandt de poging, het zand is zacht, de banden te hard en de truck staat tot z’n assen vast. De MAN 8×8 wordt gestart en biedt hulp. De dames hebben corvee vanavond.
De volgende ochtend is het druk bij de trucks, niet omdat iedereen hyper is maar de lokale bevolking heeft onze overnachtingsplek ook ontdekt. Met grote interesse wordt elke beweging van ons gevolgd. Zo moet het dus voelen voor dieren in de dierentuin. Een stukje touw doet trouwens wonderen, deze wordt als een grens neergelegd en niemand van de locals die het waagt om hier over te stappen. Heel apart.
Deze dag staat in het teken van het Oog van de Sahara. Je ziet het eerst niet. Dat is het vreemde eraan. Pas als je er bijna bent, begint het landschap zich op een manier te vormen die je niet direct begrijpt. Patronen, lijnen, structuren die vanaf de grond nauwelijks te bevatten zijn. Pas als je erin rijdt, zie je hoe groot het echt is. Het speciale is, dit geologische fenomeen is nog beter te zien op Google Maps. Zoek maar eens op!
De afdaling naar het centrum voelt bijna onwerkelijk. Je rijdt een soort kom in, waar alles stil lijkt te staan. Het huisje in het midden maakt het nog vreemder. Een paar voertuigen staan stil, iedereen loopt rond, kijkt om zich heen. Je weet dat het bijzonder is, maar het laat zich moeilijk uitleggen.
Daarna volgt een stuk richting Atar dat vooral bekend blijft om het wasbord. Kilometerslang zoeken naar een snelheid die net niet verkeerd is, maar nooit echt goed voelt. De trillingen kruipen overal in, en tegen de tijd dat je stopt ben je blij dat je stil staat.
Bij de Amogjar pas wordt gebivakkeerd. Uitzicht, rotsen, rotstekeningen die er nog zijn, al zijn ze beschadigd. Het voelt alsof je ergens zit waar veel meer geschiedenis ligt dan je op dat moment kunt bevatten.
Atar zelf voelt bijna druk. Winkels, mensen, voertuigen. Het is ineens weer een plek waar dingen gebeuren. En voor sommigen blijft het daar niet bij. Er is werk aan de winkel. De woestijn is onverbiddelijk en wil laten zien wie er de baas is. De tol die we moeten betalen, een aantal lekke banden moeten gerepareerd worden. Dat gebeurt op z’n Afrikaans, maar dat mag de pret niet drukken. Het is vast voldoende voor de nog te volgen tracks, en lek gaan ze toch wel. Hierna worden nog wat inkopen gedaan en daarna koers gezet naar Bab‑Sahara. Dit is “de” plek waar Overlanders in Mauritanië samen komen, sommigen voor een dag, anderen zijn in deze oase met geen stok weg te slaan. Wij laven ons aan zoete thee en genieten van de mooie tuin.
Daarna gaat het weer richting de woestijn, door kloven, langs rotswanden en over stukken waar je weer even moet werken. Vlak voor ons bivak komen we uit bij een natuurlijke trap, we kunnen ons nauwelijks voorstellen dat de trucks hier vanaf kunnen. Toch rijden we hobbelend naar beneden en komen tenslotte uit bij een van de mooiste overnachtingsplekken op deze reis. We worden aan drie kanten omringd door hoge rotswanden en er is veel begroeiing. Echt een klein paradijsje. De route wordt pittiger, de dagen ook. We moeten een heel steile en lange helling overwinnen, wat alleen lukt als je aanloopje neemt. Iedereen komt er ongeschonden doorheen. Als echt laatste obstakel deze reis komen we nog een imposante duinenrij tegen. Het is onduidelijk hoe we hier doorheen kunnen komen. Sommige secties zijn zacht terwijl anderen een betere structuur hebben. Het heeft geen zin om hier kriskras doorheen te rijden, met als gevaar dat je vast komt te staan in een duinpan. Onno als navigator gaat te voet de route verkennen. Uiteindelijk wordt een route door de duinen gevonden. Om deze weer terug te vinden als we eenmaal rijden markeert de navigator als klein duimpje de route met een slepende voet in het zand. Het konvooi zet zich in beweging en komt ongeschonden door de duinen. Iedereen is opgelucht.
Als de laatste duinen achter je liggen, voelt het ineens eenvoudiger. Harder terrein, daarna asfalt, en uiteindelijk weer een plaats. Akjoujt. Daarna richting kust. De overgang naar zee is abrupt. Van zand naar water. De eerste keer dat je de oceaan ziet voelt vreemd na al die dagen met eindeloos land. Je rijdt langs de kust, zacht zand, wind, en ergens een plek waar je stopt en bivakkeert met de zee op de achtergrond.
De laatste dag is anders. Minder spanning, minder zoeken. Je volgt de kust, pakt het asfalt weer op en rijdt terug richting Nouakchott. De cirkel is rond, letterlijk.
Terug in de stad voelt alles anders. Drukker, voller, bijna te veel. Wat achterblijft is niet één moment of één plek, maar het geheel. Dagen die in elkaar overlopen, landschap dat verandert zonder dat je het doorhebt, en het besef dat je een gebied bent doorgereden waar weinig vastligt.
En misschien is dat precies waarom je hier komt. Omdat niet alles vastligt. Omdat je soms moet zoeken, soms moet omrijden en soms gewoon door moet rijden zonder zeker te weten wat er komt.
Dat maakt het geen makkelijke reis. Maar wel één die blijft hangen.
Zelf deze route rijden, kijk dan eens bij de truckreizen op onze website















































































































































Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!